Bert Vermeer van de Koninklijke HFC heeft onderzoek gedaan naar de leden van zijn club, die in de Tweede Wereldoorlog zijn omgekomen. Het levert een enorme hoeveelheid nieuwe informatie op.

In ons clubhuis hangt een plaquette met de namen van HFC’ers die door oorlogshandelingen in de jaren 1940-1945 om het leven zijn gekomen, dan wel om het leven zijn gebracht. Deze plaquette is op 3 september 1949 onthuld door onze oprichter Pim Mulier, samen met oud-voorzitters Karel Lotsy en dr. Cees Spoelder en vigerend voorzitter Piet van Houten.

De tekst op de plaquette luidt: “Zij zijn niet waarlijk dood die in ons harte leven”. Het nu volgende overzicht weerspiegelt een poging om allen de eer te bewijzen die hun toekomt, opdat we niet vergeten wat zij hebben doorstaan.

Adelink, H. – Hendrik, roepnaam Henk (ook wel Hein)

Vermelding op het KNVB-monument: ja.

Henk Adelink wordt geboren op 19 april 1904 in Makassar op Zuid-Celebes (tegenwoordig Sulawesi Salatan) en wordt in 1920 (De HFC’er van 15 oktober 1920, pagina 102) bij HFC aangemeld als ‘candidaat lid’. Hij is dan 15, bijna 16 jaar.

In De HFC’er van 15 november 1920 en in de jaren daarna vinden we hem hoofdzakelijk terug in het Tweede, met geregelde optredens in het Eerste. Hij speelt aanvankelijk op de linksbuitenplaats, maar neemt later de positie in van back. Af en toe wordt hij opgesteld in het Eerste dat in 1923 kampioen wordt en naar de Eerste Klasse promoveert. Hij maakt tevens deel uit van het Tweede dat in 1924 kampioen wordt van de Reserve Eerste Klasse.

Dan verdwijnt zijn naam uit de publicaties, maar op pagina 18 van De HFC’er van januari/februari 1929 wordt de geboorte van een dochter gemeld. Uit de brief van de op Penang (noordwest Maleisië) verblijvende Chris van Houten blijkt dat Henk Adelink inmiddels ergens ‘in de Oost’ woont en/of werkt (De HFC’er april 1932, pagina 50).

Het eerstvolgende bericht is dat KNIL-soldaat Henk Adelink op 8 maart 1942 krijgsgevangen is gemaakt op Java. Een tweede bron meldt de datum van 15 augustus 1942. Ik vermoed dat hij op die tweede datum is overgeplaatst naar het Japanse Haruku-kamp in Palao (Molukken).

Haruku/Haroekoe is een klein eiland tegenover de zuidkust van Ceram (Seram/Seran/Serang) Het kamp ligt vlakbij de stad Palao/Pelauw), gelegen op de noordkust. Het wordt door de krijgsgevangenen zelf bij aankomst op het strand van bamboe en atap (dakbedekking van droge palmbladeren) gebouwd. Het kamp huisvest uitsluitend Engelsen en Nederlanders en eist 476 slachtoffers, van wie 90 Nederlanders. Henk Adelink sterft daar op 26 mei 1943. Hij is dan 39 jaar.

 

Baasbank, (J?).J. van – vermoedelijk (Johan?) Jacob, roepnaam ‘Kobus’.

Vermelding op het KNVB-monument: nee.

De elektronische database van het Voetbalmonument kent hem wel, maar zijn naam ontbreekt in de gegraveerde lijsten van het monument zelf. Details ontbreken. Wat ik tot nu toe gevonden heb is, op pagina 19 van De HFC’er van november 1924, dat ‘ene v. Baasbank’ ‘Kobus’ wordt genoemd. In De HFC’er van oktober 1945 op pagina 4 staat een berichtje ‘Uit het Verre Oosten’ dat “…de volgende HFC’ers behouden zijn”, waarna onder andere de naam van Paul van Baasbank wordt vermeld. Vooralsnog weten we niet wie deze Paul van Baasbank is.

Een andere Paul van Baasbank, namelijk de zoon van onze oud-voorzitter (1962-1967) Jaap van Baasbank, is via internet op het spoor gekomen van Johan Jacob van Baasbank, geboren in 1920 in Overveen en gesneuveld bij Gorssel in 1944 of 1945 door geallieerd(?) vuur. Zijn naam in het verzet is Floor. Hij schijnt ook in Amsterdam gewoond te hebben. De enige vage datum van overlijden van deze J.J. van Baasbank die hij gevonden heeft is ‘de winter van 1944/45’.

Maar de Oorlogsgravenstichting vermeldt ene Johan Jacob van Baasbank, geboren op 10 februari 1922 in Bloemendaal en op 24 maart 1945 in Eefde omgekomen bij een bombardement. Ik hecht meer waarde aan deze versie dan de informatie in de voorgaande alinea.

De oorsprong van Pauls tak van de familie van Jaap van Baasbank ligt in Haarlem, die van Johan Jacob in Overveen (Bloemendaal), plaatsen die geografisch aan elkaar grenzen. Toch heeft Paul zijn vader Jaap nooit één woord over het bestaan van een Overveense Van Baasbank horen zeggen. Verder heeft opa Van Baasbank, de vader van Jaap, aan het eind van zijn leven in Overveen gewoond.

De HFC’er van oktober 1934 (pagina 147) vermeldt dat J.J. van Baasbank, Prof. v. Vlotenweg 10, Bloemendaal als ‘adspirant-lid’ is voorgesteld door P.H. van Baasbank en mr. B.J. Onderwater. Dat kan de Paul van Baasbank uit de eerste alinea van dit hoofdstuk zijn. Bas Onderwater is in de annalen van HFC een bekende figuur. Op pagina 70 van de HFC’er van april 1935 is sprake van ‘P. v, Baasbank’ (ongetwijfeld P.H. van Baasbank) en op pagina 117 verschijnt de naam P.H. van Baasbank als speler van HFC 7. Hij is een teamgenoot van Arie van Beekum en moet dan circa 35 jaar oud zijn.

De HFC’er van juli 1935 vermeldt op de eerste pagina dat J.J. van Baasbank als juniorlid is toegelaten tot HFC. In april en oktober van dat jaar vinden we J. van Baasbank en ook alleen v. Baasbank bij de ‘Onderlinge Adspiranten’.

Onze plaquette vermeldt specifiek J. van Baasbank wat mij, gezien zijn bijnaam ‘Kobus’, doet vermoeden dat zijn roepnaam Jacobus was, wat zou stroken met de gevonden namen Johan Jacobus. Deze J. van Baasbank zal dus vermoedelijk correct de J.J. van Baasbank uit de vorige alinea geweest zijn en is dus niet te verwarren met onze latere voorzitter (1962-1967) J.P. ‘Jaap’ van Baasbank (geb. 1908), vader van Paul van Baasbank (geb. circa 1943).

Desondanks is er kennelijk vrijwel niets bekend over de HFC’er (Johan) Jacob van Baasbank. J.P. (Jaap) van Baasbank is van 1908 en komt oorspronkelijk uit Haarlem, J.J. (Johan Jacob) is van 1920 en komt uit Overveen (Bloemendaal). Je zou zeggen dat zij, als leden van HFC, van elkaars bestaan op de hoogte moeten zijn geweest, maar in de HFC-annalen vind ik daar geen bewijs van.

Toch heeft iemand besloten om de naam J. van Baasbank op de plaquette te zetten, ook omdat ‘de winter van 1944/45’ als vage datum van overlijden in De HFC’er is vastgelegd. Ik ga dus uit van J.J. van Baasbank.

Jaap van Baasbank kende, zeker als voorzitter van HFC, de lijst met namen op onze plaquette. Daarop komt ook de naam voor van F. (Frits) Roos. Deze naam moet binnen de familie zeker vaak ter sprake zijn gekomen, want Frits Roos is een broer van Dein Roos, de echtgenote van Jaap en de moeder van Paul. Het valt op dat er bijna geen informatie over Frits Roos te vinden is, terwijl ik mag aannemen dat de vermissing van een lid van de familie bij de Van Baasbanken toch hard moet zijn aangekomen.

In het speciale magazine Bart Blankenaar van 7 maart 2008 staat op pagina 9 een foto van 2 september 1939 van de deelnemers aan de wedstrijd om de Mulier Beker tijdens de viering van HFC 60 jaar. Op die foto staat J. Faber.

 

Bastet, E.H. – Emile Henri, roepnaam Emile.

Vermelding op het KNVB-monument: ja.

Reclametekenaar Emile Bastet is van Joodse afkomst. Hij wordt geboren in Haarlem op 16 oktober 1922. Tussen 27 juli 1944 en 8 september 1944 zit Emile gevangen in Kamp Amersfoort in afwachting van transport naar het Nazi-concentratiekamp Hamburg-Neuengamme. Daar overlijdt hij op 27 januari 1945. Op de Duitse Overlijdensakte wordt Herzmuskelschwäche genoemd als doodsoorzaak. ‘Zwakte van de hartspier’ is natuurlijk niet de oorzaak van zijn dood, maar het gevolg van de onmenselijke behandeling.

Wikipedia leert ons het volgende. De mensen in de concentratiekampen, afkomstig uit zo’n 28 landen, zijn veelal krijgsgevangenen, gijzelaars, verzetsstrijders, Joden, Roma en Sinti, homoseksuelen en Jehova’s getuigen.

Bij aankomst moeten alle persoonlijke bezittingen worden afgegeven. Vervolgens wordt al het lichaamshaar afgeschoren en krijgt men een nummer op een zinken plaatje dat om de nek gedragen moet worden. De SS probeert de morele en psychische weerstand van de gevangenen te breken door hen in vernederende omstandigheden te laten leven en werken.

De barakken zijn overvol, sanitaire voorzieningen zijn ontoereikend en enige privacy is er niet. Men krijgt onvoldoende voedsel en moet zware arbeid verrichten. De dag is zo strikt ingedeeld dat er nauwelijks een vrije minuut overblijft.

In De HFC’er van 2004 pagina’s 16 en 17 heeft HFC’er Wim Vogel een indrukwekkend artikel aan Bastet gewijd, dat ik hieronder samenvat.

Emile houdt veel van zeilen en voetballen en hij kan mooi tekenen. In 1942 nadert hij de leeftijd van twintig jaar. Hij had zich toen moeten melden voor de tewerkstelling in Duitsland, iets wat hij niet doet. Hij duikt onder. Maar zijn passie voor zeilen wordt hem op de prachtige zomerdag van 22 juli 1944 fataal. Hij wordt in de jachthaven van Heemstede opgepakt door collaborerende agenten van de Nederlandse politie aldaar, waarna hij in het politiebureau wordt opgesloten.

Drie dagen later wordt hij door enige leden van de Nederlandse Ondergrondse bevrijd. Maar zijn vrijheid duurt nog geen twee kilometer lang, als hij rennend voor zijn leven wordt ingehaald door een fanatieke politieman op de fiets, die hem opnieuw in de cel zet. Vier dagen later wordt hij overgebracht naar Haarlem. Op het politiebureau in de Smedestraat mag de familie nog even afscheid van hem nemen. De volgende dag wordt hij op transport gesteld naar het Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort.

Emile heeft de pech dat dinsdag 5 september 1944 de geschiedenis in zal gaan als Dolle Dinsdag. Er zijn berichten binnengekomen dat Nederland op het punt staat bevrijd te worden van de Duitse bezetting. Immers, op 3 september is Brussel al bevrijd, op 4 september gevolgd door Antwerpen. En de verwachting is dat in de dagen daarna Rotterdam, Utrecht en Amsterdam zullen volgen. De bevolking haalt alvast vlaggen en vaandels tevoorschijn. De Nazi’s zijn aanvankelijk in paniek, maar herpakken zich en reageren furieus door onder andere alle gevangenen op transport te zetten. Waarheen weet niemand.

Emile slaagt er op 9 september 1944, onderweg naar Neuengamme, nog in om een vodje papier met potloodkrabbels uit de trein te gooien of iemand in handen te spelen. Hij schrijft daarin onder andere dat de trein zich op dat moment ergens tussen Hengelo en Oldenzaal bevindt. “Alles oké… Goede stemming, goede moed. In PDA (Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort – bv) was ‘t grote rotzooi. Alles in de war. Zal zo gauw ‘t kan weer schrijven.”

Het duurt tot 12 oktober 1945 eer Emile’s ouders officieel bericht krijgen dat hij op 27 januari 1945 om 02.00 uur is gestorven aan een verzwakte hartspier. Deze laffe omschrijving moet, zoals later blijkt, de lading dekken van geestelijke en lichamelijke martelingen. Emile is niet gestorven. Hij is vermoord.

 

Beccari, P.J.B. – Petrus Johannes Baptist, roepnaam Piet.

Vermelding op het KNVB-monument: ja.

De Oorlogsgravenstichting kent geen Beccari. Dat zou betekenen dat hij niet gezien wordt als een Nederlands slachtoffer.

De HFC’er van oktober 1945 komt op pagina 4 niet verder dan een eenregelige mededeling dat werkend lid P. Beccari in Duitsland is overleden. Maar op pagina 30 van het jubileumboek 1919 vind ik de naam van aannemer Beccari en op pagina 24 van het jubileumboek 1939 staat zelfs een foto van diens zoon Piet. De firma Beccari bouwt rond 1900 de eerste tribune van HFC. Via dat spoor ben ik terechtgekomen bij de heer Jan Burgers, wiens familie Anna Beccari, de zus van Piet, heeft gekend.

Piet Beccari wordt geboren op 2 oktober 1885 in Bloemendaal. De ledenlijst van 1904/1905 vermeldt de naam van P.J.B. Beccari, woonachtig aan het Kleverpark 73 in Haarlem.

Het eerste dat wij verder weten is dat hij rond 1917 in Kogarah bij Sydney, Australië trouwt met Stella Poole. Daar wordt dochter Louise Joan geboren. Zoon Gerard Harry ziet in 1921 echter in Zandvoort het levenslicht. De ledenlijsten van 1935, 1938, 1939 en 1942 vermelden het adres van P. Beccari: Platanenlaan 53, Bloemendal.

Hoe en waarom Piet in Australië terecht is gekomen en waarom hij weer naar Nederland is teruggekeerd is onbekend. Daar de Oorlogsgravenstichting hem kennelijk niet kent als Nederlands slachtoffer is het mogelijk dat hij tot Australiër is genaturaliseerd.

Als overlijdensdatum van Piet wordt 8 december 1944 te Haarlem opgegeven. Dat is dus twee dagen na de Sinterklaasrazzia in de nacht van 5 op 6 december in Haarlem en omgeving. Daar worden ongeveer 1.300 mannen tussen de 17 en 40 jaar opgepakt en op transport gesteld naar de werkkampen Rees, Bienen en Praes in de buurt van Emmerich.

In de overlijdensadvertentie in de krant De Tijd van 22 december 1944 – Piet is dus al op 8 december 1944 gestorven – staat dat hij geheel onverwacht, maar voorzien van het Heilig Oliesel, overlijdt. Kennelijk is er wel tijd geweest om de stervende te zalven. Als hij door een oorlogshandeling is omgekomen, is het dan niet wat vreemd dat hij toch nog gezalfd kan worden?

Piet Beccari is dus niet voor de Arbeitseinsatz ingezet, maar is misschien door ontberingen of martelingen om het leven gekomen dan wel gebracht. Heeft hij zich verzet tegen zijn aanhouding? Het boek De Sinterklaasrazzia van 1944 van Dick Verkijk (uitgeverij Aspekt B.V.) noemt hem niet in de lijst van slachtoffers.

Nu zijn rouwadvertenties in die tijd onderworpen aan strenge censuur. Dus als iemand al om het leven is gebracht wordt de oorzaak van de dood in publicaties vaak omschreven als ‘plotseling’, onverwacht’, ’door een noodlottig ongeval’, ‘algehele zwakte’ of iets dergelijks.

 

Bouvy, A.A. – Adolf Albert, roepnaam Dolf.

Vermelding op het KNVB-monument: ja.

Dolf Bouvy speelt in de twee seizoenen 1914/15 en 1915/16 geregeld in het Eerste van HFC. Zo maakt hij in 1915 deel uit van het team dat de Holdert Beker wint. Zijn vertrek naar Nederlands-Indië – of zoals het toen werd geschreven Nederlandsch-Indië – in 1916 staat een verdere voetbalcarrière in de weg.

Dolf wordt geboren op 25 mei 1884 in Dordrecht. Hij overlijdt op 1 januari 1945 in het Teling-kamp, Menado, Noord-Celebes op de leeftijd van 60 jaar (De HFC’er van januari 1946, pagina 3). Het Teling-kamp ligt ongeveer 3 km ten zuiden van Menado. Het kamp bestaat uit militaire barakken, ook omschreven als paardenstallen, omgeven door prikkeldraad.

Ik ga er dus van uit dat Dolf in dat kamp door geweld om het leven is gekomen.

 

Chapon H.S. – Hartog Samuel, roepnaam Hans.

Vermelding op het KNVB-monument: nee.

Hans Chapon wordt op 28 februari 1917 geboren in Heemstede als zoon van Barend en Mietje Chapon-Zilverberg.

Op 30 januari 1943 wordt een Oberwachtmeister van de Duitse medische dienst gedood. Als represaille worden honderd gijzelaars in Haarlem en omgeving gevangen genomen en naar Vught overgebracht.

Het SS-kamp Vught heeft een maximale capaciteit van circa 15.000 personen. In totaal hebben er circa 31.000/32.000 personen gevangen gezeten: politieke gevangenen, Sinti en Roma, verzetsmensen, Jehova’s getuigen, zwervers, zwarthandelaren, criminelen en Joden. Onder hen komt de hele familie Chapon terecht, alleen dochter Selma en zoon Jules weten te ontsnappen. Tien van de gijzelaars worden in Bloemendaal geëxecuteerd. Barend is een van hen.

De overige familieleden, onder wie dus Hans Chapon, worden naar Kamp Westerbork overgebracht, waarna het uiteindelijke transport naar het vernietigingskamp in het Poolse Oswiecim (Auschwitz) volgt. Op 12 februari 1943 worden moeder Mietje, zoon Hartog en de dochters Jenny en Bertha tegelijk vergast. Reden: Jood. Oorzaak: moord.

 

Cohen Tervaert, W.A. – Wouter Anne, roepnaam Wouter.

Vermelding op het KNVB-monument: nee.

Wouter wordt geboren op 16 oktober 1899 in Batavia (thans Djakarta). Hij studeert in Delft en werkt als ingenieur bij het Indonesische handelshuis Lindeteves-Stokvis.

De oorzaak van zijn dood heb ik niet gevonden. Volgens de Oorlogsgravenstichting overlijdt hij op 3 april 1941 in Soerabaja (Oost-Java).

In het jaarverslag over seizoen 1940-1941 in De HFC’er van september 1941 pagina 81 schrijft secretaris Mollerus dat Wouter is overleden, ‘ver van ons af in Insulinde’ (= Nederlandsch-Indië, wat dus nogal vaag is). Op pagina 35 van De HFC’er van april 1941 wijdt Karel Lotsy een uitgebreid In Memoriam aan Wouter die niet alleen een gewaardeerd en overal inzetbaar speler is in het Eerste, maar ook en vooral als een trouwe, eerlijke vriend en een gevoelig mens.

Ons jubileumboek 1954 pagina 45 schrijft o.a. “Na beëindiging van zijn studie in Delft (ir.-bv) vertrok hij naar Java, waar hij helaas op nog jeugdige leeftijd overleed”. Dus geen woord over de oorlog. Ik neem aan dat hij zijn studie voltooit rond 1925-1930. Hij speelt 73 maal in het Eerste van 1919/1920 t/m 1925/26. Kort daarop moet hij naar Java vertrokken zijn.

Volgens de Oorlogsgravenstichting sterft hij dus in 1941. Ik kan dat niet rijmen met ‘overlijden op jeugdige leeftijd’, wat negen jaar na de oorlog en dertien jaar na zijn overlijden geschreven wordt. Geboren in 1899 in Batavia is hij circa 41 jaar als hij in 1941 te Soerabaja sterft. Het Voetbalmonument meldt dat Wouter op die dag is ‘omgekomen’, wat erop duidt dat hij geen natuurlijke dood is gestorven. Door de Oorlogsgravenstichting wordt hij als een ‘slachtoffer van de oorlog’ bestempeld.

Pagina 70 van ditzelfde jubileumboek 1954 komt niet verder dan “Ook in dit seizoen (i.e. 1940/1941 – bv) ontvielen ons enige leden…. Wij memoreren het overlijden in Oost-Indië van ir. Wouter Cohen Tervaert, speler voor H.F.C. … et cetera.

En dat is dus alles over Wouter. Hij ontbreekt op onze plaquette die onthuld wordt op 3 september 1949. Hij is al in 1941 overleden, kennelijk vanwege oorlogsomstandigheden,. Dan zou hij acht jaar later toch automatisch op de plaquette bijgeschreven hebben moeten zijn? Zeker omdat zowel oud-voorzitter Karel Lotsy (overleden 29 augustus 1959) en secretaris Jo Mollerus (overleden 9 juni 1973) zich dan nog volop actief met HFC bemoeien.

Merkwaardig.

 

Daniëls G.A. – George August, roepnaam Guus (‘Guusje’).

Vermelding op het KNVB-monument: ja.

Guus Daniëls ziet op 28 maart 1904 het levenslicht in Batavia – het huidige Djakarta – op het Indonesische eiland Java.

Guus was Militair Matroos bij de Koninklijke Marine. De HFC’er van oktober 1945 pagina 2 doet vermoeden dat Guus, evenals HFC’er Bob Twiss, als Japanse krijgsgevangene tewerk wordt gesteld aan de beruchte Birma-spoorweg, ook wel de Dodenspoorlijn genoemd. Het doel is een treinverbinding van 415 kilometer tot stand te brengen tussen Birma (thans Myanmar) en Siam (thans Thailand). De Japanners zetten daarvoor duizenden krijgsgevangenen in die onder erbarmelijke omstandigheden als slaven worden behandeld.

Tijdens de aanleg sterven gemiddeld 75 arbeiders per dag. De voltooiing in 16 maanden in plaats van de geplande vijf jaar kost 15.000 mensenlevens, waarvan 3.000 Nederlanders. De gevangenen sterven massaal aan uitputting, ziektes en ondervoeding. Onder hen dus ook Guus Daniëls en Bob Twiss.

“Guus Daniëls, onze kleine, correct gekleede vriend”, zo schrijft De HFC’er van oktober 1945, “Guusje, uit onze eerste kantoor- en uitgaansjaren. De prachtige, technische voetballer. Zijn salonstijl, die niet op de Nederlandsche voetbalvelden paste en waardoor Guus nimmer een blijvende plaats in ons Eerste veroverde, ofschoon hij daarin qua capaciteiten dubbel en dwars thuishoorde.” Guus brengt het in de jaren 1920-1930 niettemin tot 30 wedstrijden in het Eerste.

“Guus Daniëls heeft het in de Oost niet cadeau gekregen, dikwijls waren de berichten niet opwekkend, maar ten slotte wist hij zich er weer bovenuit te werken. Zijn laatste nieuws was zeer bemoedigend, was hij ten slotte getrouwd?”, aldus De HFC’er van oktober 1945, pagina 2.

Guus sterft op 9 september 1943 op de leeftijd van 39 jaar. Volgens het jubileumboek 1954 pagina 102 vindt hij zijn laatste rustplaats in Siam, het huidige Thailand. Volgens het Oorlogsmonument is dat echter in Birma (het huidige Myanmar), Kp 100, Regue. Ik houd het op het laatste.

 

Denijs, W. – Willem, roepnaam Wim.

Vermelding op het KNVB-monument: ja.

Op de leeftijd van bijna 19 jaar start Wim, geboren in Amsterdam op 17 december 1910, in 1929 in het Vierde van HFC, maar in de vier seizoenen 1931-1935 speelt hij 46 keer in het Eerste. Daaronder zit het topseizoen dat HFC in 1933 terugbrengt naar de Eerste Klasse.

De site Oorlogsslachtoffers Heemstede vertelt het volgende. Wim is werkzaam als gemeenteambtenaar op de afdeling Bevolking. NSB-burgemeester Van Riesen is er fel op dat – op last van de Duitse autoriteiten – zogeheten spitlijsten vervaardigd worden van geschikt geachte personen voor onder andere grondwerkzaamheden ten behoeve van een verdedigingslinie voor de Duitse Wehrmacht: de Atlantik-Wall. Op een gegeven moment eist men 300 personen uit Heemstede voor dit werk in Schoorldam.

Denijs weigert principieel zijn medewerking aan het samenstellen van dergelijke lijsten. Vanaf 11 april 1944 verschijnt hij niet meer op het werk. Mede wegens het verstrekken van valse persoonsbewijzen wordt Denijs in de nacht van 19 op 20 mei door de Sicherheitsdienst in hechtenis genomen en na ondervraging naar kamp Vught overgebracht.

Daarna volgt transport naar het concentratiekamp Sachsenhausen in het Duitse Oranienburg, iets ten noorden van Berlijn. Sachsenhausen is een concentratiekamp waar van 1939 tot 1945 ongeveer 200.000 mensen gevangen hebben gezeten, zoals gewoonlijk samengesteld uit politieke tegenstanders, krijgsgevangenen, ‘a-socialen’, Sinti en Roma, homoseksuelen, Jehova’s getuigen en natuurlijk Joden.

Op 29 maart 1945 verzoekt de Duitse Sicherheitsdienst de Heemsteedse politie om de familie op de hoogte te stellen van het feit dat Wim op 13 januari 1945 aan ‘algehele zwakte’ is overleden. Wim is dan 34 jaar.

In De HFC’er van juli 1945, pagina 3, staat een door voorzitter Wim Heijbroek (Heybroek) geschreven In Memoriam over Wim Denijs die op 13 januari 1945 “in een Duitsch concentratiekamp’ overleed.”

Ons jubileumboek 1954 op pagina 102 noemt hem “eens een der steunpilaren van het kampioenselftal van 1933, die zijn menslievend werk voor ondergedoken landgenoten moest bekopen met de dood in een Duits concentratiekamp.”

 

Dirken, M.W.M. – Martinus W.M., roepnaam onbekend.

Vermelding op het KNVB-monument: nee.

Van Dirken is weinig bekend. In De HFC’ers komt zijn naam voor in de jaren vanaf 1919 tot WO 2. Hij speelt als verdediger (back, halflinie) voornamelijk in het Vierde, Derde en Tweede. Een van de weinige foto’s is die op pagina 63 van De HFC’er van 15 maart 1923.

Op de site Oorlogsslachtoffers Heemstede kom ik het volgende tegen. “Dirken, Martinus W.M. († 28-04-1945)” wordt op 17 augustus 1900 geboren. Hij woont als kandidaat-notaris op het adres Frederik van Eedenplein 27, Heemstede. Hij is op 18 april 1944 in hechtenis  genomen wegens hulp aan Joodse onderduikers. Na zes weken verblijf in de gevangenis Weteringschans is hij doorgezonden naar diverse kampen en op 29 april 1945 overleden in het Duitse concentratiekamp Ludwigslust te Wöbbelin, een tijdelijk subkamp van Neuengamme. Hij laat een vrouw en twee kinderen na.

En de vraag is nu: is hij op 28 of 29 april overleden?

 

Faber, ir. A.J. – Anne J., roepnaam Anne.

Vermelding op het KNVB-monument: nee.

Ook van Anne Faber ontbreekt elk spoor. Iemand met enige kennis van zaken moet reden hebben gehad zijn naam op de plaquette te laten zetten. Ook bij de Oorlogsgravenstichting is hij onbekend.

Anne is de broer van ‘Bul’ Faber, ook wel ‘Boko’ Faber genoemd. Laatstgenoemde is dezelfde als J. (Johan) Faber. Beiden zijn ook enthousiaste cricketers bij Rood en Wit. Ik kan mij Bul Faber goed herinneren als een Rood en Witter die mij als jochie van 10 jaar de eerste beginselen van cricket leerde. Bul had een ernstig spraakgebrek. Of dat aangeboren was of veroorzaakt door een aandoening weet ik niet.

Bul had ook een zeer merkwaardige bowlingactie. Hij slingerde de bal niet langs zijn oor, maar gooide vrijwel horizontaal. Of dat volgens de cricketreglementen is/was is wel vaak onderwerp van gesprek geweest, maar zijn bowlingactie werd altijd getolereerd. Ik herinner me tenminste niet dat ooit een umpire ‘no ball’ heeft geroepen na de merkwaardige worp van Bul.

Het kan ook zijn dat die manier van bowlen te maken heeft gehad met de oorzaak van zijn spraakgebrek. Het verhaal ging dat Bul geen(?) verhemelte had. In geen enkele publicatie in De HFC’ers of onze jubileumboeken is zijn spraakgebrek ooit vermeld. Hij was in elk geval zeer populair bij zijn leeftijdgenoten.

Maar het gaat om Anne. In De HFC’ers van seizoen 1921-1922 wordt hij genoemd als speler van het Vierde en Vijfde en bij Rood en Wit wordt hij gerespecteerd als bowler van off breaks.

Op pagina 215 van jubileumboek 1929 is sprake van A. Faber en bij de foto staat de naam van J. Faber. Laatstgenoemde herken ik ontegenzeggelijk als Bul Faber. Op pagina 102 van jubileumboek 1939 staat Anne Faber (*1) op de foto van 9 april 1917 met de kleine Henkie van Riemsdijk.

(*1) Het ‘Haarlem’s Dagblad’ doet op 10 april 1917 verslag van deze wedstrijd om ‘De ‘Weldadigheids Beker’ en geeft de opstelling van beide elftallen. Daarin ontbreekt de naam Faber. De speler links op de foto is niet Faber, maar Wouter Cohen Tervaert (bv).

 

Fibbe, A. – Anthonius, roepnaam Tonny/Tonnie/Ton.

Vermelding op het KNVB-monument: ja.

Tonny wordt op 13 februari 1919 geboren in Haarlem en wordt op de leeftijd van twaalf jaar lid van HFC. Hij woont in de ‘Groote Houtstraat’ 149 in Haarlem (De HFC’er oktober 1931 pagina 80). Hij wordt in ons Jubileumboek 1954 pagina 96 omschreven als een geestdriftig en opgewekte sportvriend, met wie het in de HVB-elftallen (Haarlemse Voetbal Bond – bv) prettig samenspelen is. Op seniorenleeftijd speelt hij hoofdzakelijk in het Zesde van HFC. Veel meer heb ik niet kunnen vinden in De HFC’ers van die tijd.

Als ik zijn overlijdensakte op de site ‘Oorlogsbronnen’ van het Voetbalmonument goed kan lezen is hij ‘Chemo Techniker’ van beroep. De Oorlogsgravenstichting kent hem als ‘chemicus’.

Hij wordt op 31 augustus 1943 gearresteerd in Strehlitz (Duitsland). De reden wordt nergens genoemd. Het eerstvolgende bericht is dat hij op 9 december 1943 ‘is omgekomen’ in het Oostenrijkse Mauthausen, welk concentratiekamp conform is aan dat in zijn overlijdensakte. Ons jubileumboek 1954 noemt echter het concentratiekamp Neuengamme, wat, gezien de officiële overlijdensakte vermoedelijk niet de juiste locatie is.

De site ‘Oorlogsbronnen’ meldt over Mauthausen het volgende. Het is een concentratiekamp, gelegen in Oostenrijk nabij het gelijknamige dorp ten oosten van Linz. Het is in gebruik van 8 augustus 1938 tot aan de bevrijding door Amerikaanse troepen op 5 mei 1945.

In Mauthausen hebben bijna 200.000 personen gevangen gezeten, vooral politieke gevangenen, verzetsmensen en Joden die als ‘strafgeval’ gedeporteerd zijn, maar ook (en daar gaan we weer – bv) krijgsgevangenen, Sinti en Roma, Jehova’s Getuigen, homoseksuelen en criminelen. In totaal komen circa 95.000 gevangenen om het leven, als gevolg van uitputting door dwangarbeid in de nabij gelegen steengroeve, ziekte, verhongering of vergassing.

Tonny is een van hen en overlijdt op de leeftijd van slechts 24 jaar.

 

Francken, F.A.M. – Ferdinand Adriaan Marie, roepnaam Peddy.

Vermelding op het KNVB-monument: nee.

Wie meer over de familie Francken wil weten raad ik aan het boek ‘Verstilde stemmen en verzwegen levens’ van Inez Hollander te lezen (Uitgeverij Atlas, Amsterdam/Antwerpen – ISBN 978 90 450 1440 1).

Jacques Marinus Wilhelmus Francken (J.M.W.) (1850-1929) is de overgrootvader en diens zoon Jacques (Jacques) Willem Eugene Ferdinand Marie (1891-1949) is de grootvader van Inez Hollander.

Daarmee zijn Laurina (Laurine), Henri (Herman), Herman (Mannes), Jacques (Jacques) en Ferdinand (Peddy) als dochter en zoons van J.M.W. de oudtante, respectievelijk oudooms van de schrijfster. Verwarrend is wel dat Henri de roepnaam Herman krijgt en Herman door het leven gaat als Mannes (Mannus). Ik moet ook aannemen dat Mannes, en dus niet Mannus, de eigenlijke correcte spelling van zijn roepnaam is.

De ledenlijst van 1904/1905 vermeldt de lidmaatschappen van H.M.M. (Henri Maria Mathieu 1886-1937) ‘Henri’ en H.J.M. (Herman Jean Marie 1888-1948) ‘Mannes’ Francken, wonende aan het Staten Bolwerk 3 in Haarlem.

Uit dit boek, en ook uit het artikel ‘De Franckens’ in het jubileumboek 1919 pagina 231 en volgende, alsmede uit het artikel ‘De vier Franckens’ op pagina 15 van De HFC’er van augustus 1949, komt het volgende naar voren.

Peddy wordt geboren op 8 oktober 1897 in Malang, Oost Java. Als jongste telg wordt hij omschreven als een trouw en enthousiast HFC’er. In zijn spel in het Eerste van HFC ligt iets van een combinatie van natuurlijke gaven die zijn oudere broers Mannes en Jacques hebben meegekregen. Hij begint in de voorhoede en verhuist successievelijk via de middenlinie naar de backplaats. Hij blijkt een bijzonder lastig te passeren tegenstander te zijn.

Het levenseinde van Peddy Francken wordt in het boek vanaf pagina 143 en volgende uitgebreid beschreven. Kort samengevat: Peddy wordt, samen met andere planters, in april 1943 door de Japanse Kempetai van huis opgehaald en gevangen gezet, verdacht van het helpen van soldaten, het verstoppen van wapens en het voorbereiden van een geallieerde landing, Op 27 april 1943 worden de planters wegens gebrek aan bewijs vrijgelaten.

In juni 1943 wordt hij opnieuw opgehaald en ‘geïnterneerd’. De 60 uur durende reis naar de Tangeranggevangenis vindt plaats in dichtgetimmerde treinwagons zonder ventilatie. Nog geen twee jaar later sterft Peddy al dan niet aan de gevolgen van dysenterie, maar in elk geval ook ondervoed en gemarteld, op 15 maart 1945 in de Soekamiskingevangenis in Bandoeng/Bandung, West-Java.

 

Gobets, M. – (Machiel?) roepnaam Max.

Vermelding op het KNVB-monument: ja.

Het Voetbalmonument geeft geen enkele informatie over Max, maar in De HFC’er van november 1920 op pagina 1 fungeert hij samen met L. Groenveld als (mede-)‘voorsteller’ van ene F. Knottenbelt. Hij moet dan dus al enige tijd lid zijn van HFC. Ik vind ook A. Gobets als een (mede-)‘voorsteller’ van ene D. de Vos. Ik neem dus aan dat A. en Max broers zijn.

Het is heel vervelend dat vaak de voornamen of voorletters in de boeken en de (maand)bladen ontbreken. In elk geval is ene Gobets een van de ’Juniores’ (De HFC’er van 15 november 1922 pagina 5). In De HFC’er van juli 1926 op de eerste pagina (57?) vind ik ook nog een N. Gobets die overgaat van ‘junioradspirant’ tot werkend lid.

Ook L. Groenveld moet het in De HFC’ers rond die tijd ontgelden. De ene keer is het Groenveld, de andere keer Groeneveld. We komen L. Groeneveld als jong senior in HFC 7 in beeld tegen op pagina 43 van De HFC’er van april 1925.

De oudste ledenlijst die wij hebben waarin Gobets voorkomt is die van 1924. Daarin worden M. en N. Gobets (zie hieronder Nardis/Nardus) opgevoerd als wonende aan de Kleverparkweg 142 in Haarlem. In 1925 en 1926 wonen zij samen aan de Parklaan 10 in Haarlem. In de lijst van 1934 staan beiden nog op de ledenlijst, maar op die van 1935 komt alleen Max Gobets nog voor.

In De HFC’er van november 1929 op pagina 6 kom ik opeens ook een Han Gobets in het Vijfde van HFC tegen. Vervolgens gaat het óf over Gobets óf over Max Gobets, onder andere in 1930 in het Derde van HFC. Maar op pagina 24 van De HFC’er van februari 1931 verschijnt uit het niets ene Nardis (ook wel Nardus) Gobets in het Vijfde. Dat moet dus dezelfde zijn als de N. Gobets in 1926 en dus ook die van de ledenlijst van 1926.

Max speelt in de jaren die volgen als captain van het Derde en Vierde en gaat ten slotte lager spelen in het Zesde en Zevende. Hij speelt overigens in die jaren – in elk geval tot en met augustus 1941 – als ‘uitstekende’ wicketkeeper ook in het Eerste van de Haarlemsche Cricket Club Rood en Wit. Zijn teamgenoten daar zijn, met namen als captain Vic Davidson, André en Jaap van Baasbank, Piet Hagenaar, Willem Kramer, Ato van der Togt en Bill Yates, ook nationaal gezien zeker niet de minste cricketers in het Eerste van Rood en Wit.

Daarna wordt het stil tot ons jubileumboek 1954 op pagina 102 enige duidelijkheid verschaft: “…Hans Chapon en Max Gobets die ten offer vielen aan de vervolging van Joodse Nederlanders en nooit zijn teruggekeerd.” Dat was het dus: Max was Joods.

We hebben geen geboortejaar, geen datum van overlijden, geen nazaten, gewoon niets. De symboliek voor de bezetter kan niet schrijnender zijn: voor de Nazi’s was je als Jood gewoon niets. Ik hoop dat iemand ooit deze lege plek in onze historie kan opvullen.

De Oorlogsgravenstichting kent wel driemaal Gobets: Marcus (Amsterdam, 3 september 1922 – † Auschwitz, 30 september 1942), Machiel (Amsterdam, 21 mei 1905 – † Dachau 20 april 1945) en Michel (Amsterdam, 10 november 1901 – † Sobibor, 21 mei 1943). Als Max in 1920 iemand als lid mag voorstellen, moet hij toch minimaal de aspirantenleeftijd bereikt hebben. Hij zal dan begin 1900 geboren zijn. Daarmee valt Marcus Gobets af. Verder lijkt het me onwaarschijnlijk dat ene ‘Michel’ de roepnaam ‘Max’ krijgt.

De enige min of meer logische oplossing zou kunnen zijn dat Machiel in de omgangstaal Max wordt genoemd. Dat zou kunnen kloppen, want als hij (Machiel) in 1905 is geboren is hij in november 1922 inderdaad op de leeftijd der ‘Juniores’, zoals in de tweede alinea van dit hoofdstuk staat. Maar dat is een wilde gok.

Ook de side Oorlogsbronnen kent een hele serie, al dan niet aangetrouwde, Gobetsen met allerlei voornamen, Als ik me beperk tot Machiel Gobets kom ik samenvattend tot de volgende drie mogelijkheden:

  1. Machiel Gobets: Amsterdam 27 maart 1905. Het enige dat volgens Oorlogsbronnen is gevonden is dat deze Machiel gevangen heeft gezeten in Kamp Vught, vervolgens in Auschwitz en ten slotte in Sachsenhausen, waar hij op een onbekende datum is overleden.
  2. Machiel Gobets: Amsterdam, 21 mei 1905. Tot 18 januari 1944 gevangen gezet in Kamp Westerbork, naar ik neem aan na 1 juli 1942 (zie Seligsberger). Hij is daarna getransporteerd naar Theresiënstadt, waar hij op 20 januari 1944 aankomt. Vanaf 17 november 1944 heeft hij gevangen gezeten in Dachau met kampnummer 127352, waar hij volgens de Duitse overlijdensakte op 20 april 1945 sterft op 39-jarige leeftijd.
  3. Machiel Gobets: Amsterdam 4 augustus 1909. Hij heeft gevangen gezeten in Kamp Westerbork – ik neem aan na 1 juli 1942 (zie Seligsberger) – waarna hij op transport is gesteld naar Auschwitz, waar hij op 30 september 1942 op de leeftijd van 33 jaar overlijdt.

Gobets Nummer 3 is in augustus 1920 elf jaar oud. Niet echt een leeftijd waarop je al nieuwe leden mag voorstellen. Blijven over Nummer 1 en 2. Gevoelsmatig ga ik voorlopig voor Nummer 2, omdat we daar meer van weten dan van Nummer 1. Heel erg verkeerd zal dat niet zijn en dan hebben we Max Gobets in elk geval tot leven gewekt.

 

Gogh, L. van – Lothar roepnaam Adé.

Vermelding op het KNVB-monument: ja.

Lothar ‘Adé’ (*2)  van Gogh wordt geboren op 07 februari 1888 in Soekaboemi (thans Sukabumi), een stad in de provincie West-Java. Hij was administrateur van beroep.

Wanneer hij precies lid wordt van HFC heb ik niet kunnen vinden. Maar de ledenlijst van 1901 vermeldt ene Louis van Gogh plus een ‘adspirant lid’ L. van Gogh. Laatstgenoemde zal dan zeer waarschijnlijk Lothar zijn. Hij woont aan de Iordensstraat/Jordensstraat 59 in Haarlem.

De HFC’er van januari 1946 plaatst op pagina 3 een uitgebreid In Memoriam over Adé van Gogh en noemt hem een van de onvergetelijke grootheden van HFC. Adé was de jongste van de vijf Van Goghs die “uit Indië gekomen, zich te Haarlem gevestigd hadden. En als wij de vijf beste sportsmen van de Spanjaardslaan (i.e. HFC en Rood en Wit – bv) moeten kiezen, dan zou hij daar toe gerekend moeten worden.”

Dat Van Gogh een zeer goede voetballer is, moge blijken uit het feit dat hij twee keer uitkomt voor het Nederlands Elftal: op 14 april 1907 speelt hij als rechtsbinnen mee in de uitwedstrijd tegen België in Antwerpen (1-3) en op 9 mei in de return op het HFC-terrein (1-2). In de HFC-gelederen wordt hij op één lijn gesteld met Mannes Francken.

In het jubileumboek 1919 (pagina 162 e.v.) verschijnt een zeer uitgebreid artikel over de familie Van Gogh, dat wil zeggen over de vader en zijn vijf zoons, in door mij geschatte volgorde van leeftijd: Frans, Adé, Jo, Louis en Wim. Frans en Adé zijn de ‘voetbalsterren’ en Adé wordt zelfs als ‘de lieveling der goden’ bestempeld. “Hij was de beste voetballer en cricketer van zijn tijd.”

Wat cricket betreft geldt ter bevestiging dat hij in 1911 en 1912 eindigt als nummer 1 van de battinglijst van de Eerste Klasse met gemiddelden van 40 respectievelijk 42 runs en met als hoogste score 203.

De eerste uitgave van De HFC’er verschijnt pas in november 1919, dus we moeten het doen met de samenvattingen in het eerste jubileumboek dat ook in 1919 het licht ziet. Het precieze aantal wedstrijden in het Eerste is dus niet bekend, maar we kunnen een aardige schatting maken.

In twee opeenvolgende jaren 1903/1904 en 1904/1905 wordt hij kampioen met het Tweede, waarin hij samenspeelt met Mannes Francken. Vanaf 1905/1906 komt hij vijf jaar achtereen voor het Eerste uit. De competities omvatten in die jaren elk 18 wedstrijden, dus Adé heeft in elk geval vele tientallen, zo niet de volle negentig, wedstrijden in het Eerste gespeeld. Hoewel hij zwakke knieën heeft wordt nergens vermeld dat hij vaak of af en toe niet mee kan doen. Deze handicap is er wel de oorzaak van dat hij vanaf 1910 stopt met voetbal. Hij gaat daarop wel hockeyen en blijft cricketen.

In 1909/1910 is hij als captain van het Eerste één jaar commissaris van het bestuur.

Op zijn vijftiende al gaat hij, met het HBS-diploma op zak, studeren in Delft en behaalt de academische titel van ingenieur. In de HFC’er van januari 1946 lees ik op pagina 3 dat Adé na het voltooien van zijn studie naar Indië vertrekt. Dat zal best kunnen, maar in De HFC’er van 15 november 1921 pagina 3 woont donateur ir. L. van Gogh in de Anthonie Duijckstraat 108 in Den Haag.

Hoe het zij, hij duikt in De HFC’er van 15 april 1920 op pagina 63 weer op in Sumatra, waar hij woont in de hoofdstad Medan. Dan valt zijn naam af en toe nog in overzichten in De HFC’ers totdat in 1946 bekend wordt dat hij niet meer leeft. Adé blijkt de geest gegeven te hebben in Tjimahi, kamp 5 Baros.

De site Oorlogsbronnen vermeldt dat het Mannenkamp Baros van 11 oktober 1943 tot 23 augustus 1945 operationeel is. Ongeveer de helft van de 3.065 mannen hebben voor de oorlog een hoge bestuurlijke, zakelijke of geestelijke positie. Zij worden echter, net als Vrijmetselaars en Joden, door de Japanners als ‘slechte elementen’ betiteld en mogen geen werkzaamheden buiten het kamp verrichten.

Het jubileumboek 1954 meldt op pagina 105 dat hij overleden is in een Duits concentratiekamp. Dat is niet waarschijnlijk. Pagina 3 van De HFC’er van januari 1946 beschrijft zijn laatste uren meer in detail. “Thans hebben wij bericht gekregen dat hij (Adé van Gogh – bv) in mei 1945 is overleden. De verzwakking die zijn lichaam in een concentratiekamp ondergaan had, heeft zijn herstel onmogelijk gemaakt… Toen hij stierf was zijn vrouw in een concentratiekamp geplaatst. Hij is eenzaam gestorven.”

Uit ‘Gevangen in de Oost’ teken ik het volgende op. Tijdens de Japanse bezetting worden Indonesiërs onder vreselijke omstandigheden in de Japanse oorlogsindustrie ingezet als dwangarbeiders, ‘romoesja’s genoemd. Minstens 100.000 romoesja’s komen om het leven. Daarnaast worden direct zodra de Japanse bezetting een feit is zo’n 110.000 Nederlandse burgers en Indo’s geïnterneerd in kampen waar de omstandigheden ook zeer slecht zijn.

Zo sterven er ongeveer 16.000 burgers in de Jappenkampen, onder wie Lothar van Gogh. Hij overlijdt 57 jaar oud op 28 mei 1945.

(*2) De naam Adé is in Indonesië een soort koosnaampje voor een jongere broer of zuster. De vier broers Verwey kenden ook een Adé. Jo, Adé, Leo en Ben (in deze leeftijdsvolgorde) haalden allen, de een wat meer de ander wat meer, het Eerste van HFC in de jaren ruwweg tussen 1910 en 1920. (jubileumboek 1919 pagina 281 e.v.).

 

Göllner, D.F. – Daniël François, roepnaam Daan.

Vermelding op het KNVB-monument: nee.

In De HFC’er van 15 november 1922 op pagina 3 wordt Daan voorgesteld als lid van HFC. Hij woont dan aan de Kleverlaan 65 in Bloemendaal. Geboren in Batavia op 27 juni 1902 is hij dan 19 jaar oud. Hij wordt ingedeeld in het Vierde van HFC. Vanaf seizoen 1924/1925 speelt hij als rechtsachter in het Derde en wordt eenmalig opgesteld in het Eerste. Na het seizoen 1926/1927 wordt zijn naam in De HFC’er niet meer genoemd.

Alleen ons jubileumboek 1954 schrijft in algemene termen dat seizoen 1945/1946 een verwarde tijd was: “Nog steeds kwamen berichten binnen van het overlijden van clubgenoten in de tropen en in Duitse concentratiekampen: Adé van Gogh, Frits Roos, Emile Bastet, P. Beccari, Peddie Francken, Daan Göllner.“

Daan Göllner wordt op 8 maart 1942 krijgsgevangen gemaakt in Bandung (West Java). Uit het woord ‘krijgsgevangen’ meen ik te mogen concluderen dat hij KNIL-militair was. Dit blijkt te kloppen, want de Oorlogsgravenstichting geeft aan dat hij KNIL Ls (Landstorm) Soldaat was. Hij wordt overgebracht naar het krijgsgevangenkamp Maoemere op het Indonesische eiland Flores.

Rondom Maoemere zijn verschillende krijgsgevangenkampen die vaak als één kamp worden gezien. Kamp Blomkamp is het grootste kamp. Daar hebben 380 man de gevangenschap niet overleefd. Daan is een van hen: hij sterft daar op 19 juni 1943.

 

Jong, A.G. de – Anton Gerard, roepnaam Anton (Antoon).

Vermelding op het KNVB-monument: nee.

Anton wordt geboren in Batavia op 28 februari 1906. Wanneer hij lid is geworden van HFC heb ik niet gevonden, maar in De HFC’er van 15 november 1920 stelt hij op pagina 1 al een nieuw lid voor. Hij is dus zelf al vóór die tijd aangenomen. Als hij senior wordt belandt hij in seizoen 1921/1922 in het Zesde en Vijfde. Via het Vierde in de jaren 1922 tot 1925 brengt hij het ten slotte tot het Tweede.

In zijn actieve seniorjaren bij HFC speelt hij, op grond van zijn bowlingcapaciteiten, ook nog in het Eerste van Rood en Wit.

Maar blijkens De HFC’er van december 1926 (pagina 13) moet hij plotseling afscheid nemen wegens vertrek naar ‘Indië’. Hij schrijft hier zelf over “Met een dankbaar gevoel neem ik afscheid van de H.F.C. en ons mooie veld…en hoewel ik niet meer… voor H.F.C. zal kunnen strijden, hoop ik toch door het Clubblad ook in Indië steeds met mijn oude club in contact te blijven…. Tevens vraag ik…om ook hier mijn kennissen van Rood en Wit vaarwel te zeggen… Ook aan haar (i.e. R&W – bv) heb ik de aangenaamste herinneringen en ik betreur het daarom, zoo plotseling afscheid te moeten nemen.”

Gezien zijn militaire rang Ls. Sld. Inf. KNIL (Landstorm Soldaat Infanterie) bij zijn overlijden en zijn krijgsgevangenschap is hij kennelijk in dienst van het Koninklijke Nederlandsch-Indische leger. Of Anton beroepsmilitair is, zich vrijwillig heeft aangemeld of is opgeroepen of gedetacheerd heb ik niet gevonden. Maar uit zijn toonzetting van zijn bericht neig ik de indruk te krijgen dat hij niet vrijwillig naar Indonesië vertrekt.

Het KNIL is zoals bekend het Nederlands koloniale leger in Nederlands-Indië. Het bestaat uit beroepsmilitairen die binnen of buiten Nederlands-Indië geworven worden en uit Nederlandse militairen die er voor een bepaalde periode gedetacheerd worden.

Hoe profetisch zijn geschreven afscheidsrede is moge blijken uit het feit dat hij op 8 maart 1942 krijgsgevangen wordt gemaakt in Bandung, waarna deportatie volgt naar Tsumori (Tsomori) Osaka kamp 13. De exacte ligging kan niet gelokaliseerd worden, maar het ligt vlakbij Osaka, naast de Naniya-scheepswerf (Naniwa Docks). De Oorlogsgravenstichting noemt Osaka als plaats van overlijden, maar ik neem aan dat het kamp zelf een nauwkeuriger plek is.

De kampsterkte is ongeveer 400 Nederlanders en 300 Amerikanen. De omstandigheden zijn mensonterend. Het kamp bestaat uit houten barakken zonder verwarming. Er is onvoldoende kleding en rijst, vrijwel geen groente en driemaal per maand wat vis. In de eerste winter overlijden 30 en in de tweede 15 Nederlanders als gevolg van ondervoeding, uitputting, tekort aan vitaminen en de beri beri-ziekte.

Beriberi (beri-beri) wordt veroorzaakt door een ernstig tekort aan Vitamine B1. Gevolg is een aantasting van het zenuwstelsel met symptomen als gevoelloosheid of vreemde gevoelswaarnemingen in armen en benen, spierzwakte, neerslachtigheid, concentratieproblemen en geheugenstoornissen.

Op de leeftijd van 38 jaar sterft Anton ongetwijfeld een vreselijke dood op 25 februari 1945. Hij heeft in december 1926 inderdaad afscheid genomen. Voor eeuwig.

 

Kaars Sijpesteijn, P.H. – Pieter Hendrik, roepnaam Piet (Piet Hein).

Vermelding op het KNVB-monument: nee.

Piet Hein wordt geboren op 6 augustus 1896 in het Noord-Hollandse Krommenie. Tijdens de oorlog raakt Piet betrokken bij jongeren die naar Engeland willen vertrekken en steunt hen financieel. Dat wordt hem uiteindelijk noodlottig, want op 16 april 1941 wordt hij gearresteerd in Beekbergen, waar hij zijn eigen landbouwbedrijf is gestart. Hij belandt in de gevangenis aan het Wolvenplein in Utrecht en op 13 juli 1941 wordt hij overgeplaatst naar de Gansstraat.

Op 7 september 1942 verhuist hij naar het ‘Oranjehotel’ in Scheveningen en verschijnt met een aantal anderen voor het ‘Marinegericht 7 II’. In eerste instantie krijgt hij anderhalf jaar, maar het verloop van het proces wordt in Berlijn niet goedgekeurd. In een tweede proces worden de opgelegde straffen verminderd, behalve voor Piet en zijn compagnon Bert Talens. Zij worden als staatsgevaarlijk beschouwd, waarna hun detentie verlengd wordt. Op 6 november 1942 wordt Piet overgebracht naar Kamp Amersfoort, waar de omstandigheden zeer slecht zijn.

Kamp Amersfoort is een zogeheten Polizeiliches Durchgangslager, zijnde officieel een tussenstation op weg naar de eindbestemming, welke deze dan ook mag zijn. Maar in praktijk is het een ordinair concentratiekamp in Leusden aan de zuidrand van Amersfoort. In de jaren 1941-1945 worden daar in totaal 37.000 gevangenen geregistreerd, voornamelijk politieke gevangenen, onderduikers en zwarthandelaren. Daarvan worden er circa 20.000 gedeporteerd naar Duitse concentratiekampen of naar het Drentse Westerbork. Daarnaast huisvest het circa 13.000 ongeregistreerde gevangen die daar slechts korte tijd verblijven.

Piet heeft jaren geleden aan een ongeluk epilepsie overgehouden, maar medicijnen worden hem in Amersfoort niet verstrekt. Op 4 december volgt transport naar Kamp Vught, waar hij wordt ingezet bij de bouw van het kamp. Het is zwaar werk, er is onvoldoende eten en medicijnen worden hem ook daar onthouden. In de vroege avond van 19 februari 1943 sterft een totaal verzwakte Piet Hein aan een fatale longaandoening.

Piet Hein onderscheidt zich al in 1904 bij zijn eerste optreden bij HFC tijdens het 25-jarige jubileum door onmiddellijk het achtste elftal op te richten. Hij is dan acht jaar. Hij blijkt zich tot een talentvolle keeper te ontwikkelen. In 1911 wordt hij gekozen tot keeper van het Haarlems Elftal en verwerft zich in 1912 een plaats in het Eerste van HFC  Helaas wordt het hem in het begin, gezien zijn jeugdige leeftijd, (door zijn ouders?) verboden op zondag te spelen, maar hij werkt als keeper in het Eerste wel belangrijk mee aan het veroveren van de Holdert Beker in 1913 (Jubileumboek 1919 pagina’s 303 en 304).

Piet Hein treedt in 1912 als jongste bestuurslid toe tot het bestuur van HFC en vervult daarin de functie van commissaris tot en met 1916/1917, met uitzondering van seizoen 1913/1914.

Het jubileumboek 1919 ontbeert helaas een overzicht van zijn aantal wedstrijden voor het Eerste van HFC. Verder blijkt uit de opstellingen in de seizoenen 1912/1913 tot en met 1915/1916 dat Piet Hein zijn plaats onder de lat vaak moet delen met A.K. (Adolf?) ‘Dolly’ Steup en Jan Schippers. Ik schat dat hij het, inclusief alle wedstrijden om de Holdert Beker en het internationale toernooi in Gent plus een volledig seizoen in 1914/1915, tot een twintig- tot dertigtal optredens heeft gebracht. Vanaf 1915/1916 wordt hij opgevolgd door zijn vier jaar jongere broer Ernst (‘Roe’ of ’Roetje’) Kaars Sijpesteijn.

Het Voetbalmonument tekent aan dat de Duitse Overlijdensakte ‘Herz- und Kreislaufschwäche bei Lungenödem’ opvoert als doodsoorzaak van Piet Hein. Dat is ongetwijfeld – excusez le mot – een dooddoener. Als je je gevangenen maar lang genoeg slecht behandelt in kampen en gevangenissen als Amersfoort en Vught, gaan ze vanzelf dood aan vitaminegebrek, bloeddrukproblemen en longoedeem. Daarbij wordt – wellicht overbodig, maar volledigheidshalve – aangetekend dat de informatie op de Duitse Overlijdensaktes lang niet altijd correct is.

 

Kervel, L.W.F. – Laurent Willem Frederik, roepnaam onbekend.

Vermelding op het KNVB-monument: nee.

Merkwaardig is dat wij in onze archieven geen L.W.F. Kervel kunnen vinden. Andere Kervels wel. Maar zijn naam staat niet voor niets in correcte alfabetische volgorde al in de in 1949 onthulde plaquette. Ik neem dus over wat ik bij het lemma ‘Voetbalmonument’ heb gevonden en vul dat aan met gegevens uit onze boeken. Van de site Voetbalmonument pik ik het volgende op:

Laurent W.F. Kervel wordt geboren op 16 januari 1897 in Malang op Oost Java. De site meldt specifiek dat de Slag in de Javazee invloed heeft op zijn leven. Geen idee waarom.

Tijdens de Slag in de Javazee proberen geallieerde marineschepen op 27 februari 1942 de Japanse invasievloot op weg naar Java tegen te houden. De Nederlandse, Britse, Amerikaanse en Australische marine blijken echter niet opgewassen tegen de Japanse overmacht. Drie Nederlandse schepen zinken, waarbij 900 opvarenden, onder wie schout-bij-nacht Karel Doorman, het leven laten.

Welke invloed deze gebeurtenis op Kervel heeft gehad wordt niet vermeld. Merkwaardig, temeer daar hij al eerder, namelijk op 9 maart 1942, op Java als krijgsgevangene wordt gearresteerd. Dit duidt op een militaire rol en dat klopt want hij was KNIL-soldaat. Misschien is hij aan boord van een van deze of andere schepen en overleeft hij de slag.

De site vermeldt dat L.W.F. Kervel op 24 april 1945 op de leeftijd van 48 jaar is ‘omgekomen’ – het Voetbalmonument schrijft ‘vermoord’ – in Kamp 1 PRS, Pakanbaru (Sumatra/Riau).

De enige vermeldingen van L.W.F. Kervel in onze archieven vinden we op pagina 124 van ons jubileumboek 1954 en op pagina 76 van het boek 1979. Dat zijn de staatjes van de HFC’ers die door oorlogshandelingen om het leven zijn gekomen.

Zijn naam staat dus ook op de houten plaquette in ons clubhuis. Maar dat is ook de enige Kervel met de voorletters L.W.F. De verschillende jubileumboeken besteden wel veel aandacht aan E. ‘Nes’ Kervel (volgens jubileumboek 1939 in de periode 1919-1925 goed voor 57 wedstrijden in het Eerste, welk aantal volgens De HFC’er van oktober 1955 op pagina 1 aangevuld is tot totaal 105 wedstrijden). Ook ene G. Kervel met drie wedstrijden in het Eerste in seizoen 1919/1920 krijgt enige aandacht. Uit de foto’s in jubileumboek 1919 pagina 290 en 291 zou je kunnen concluderen dat E. en G. Kervel tweelingbroers zijn, gezien de uiterlijke gelijkenis. G. is kennelijk jong gestorven. Maar nergens is sprake van de initialen L.W.F., behalve dan op de plaquette.

Ik denk dat ‘Nes’ een bijnaam is van E. Kervel, bijvoorbeeld Ernest of zoiets. Ik neem aan dat de beide jongens Kervel rond 1919-1925 toch minimaal rond de 20 jaar zijn geweest en dat E. ‘Nes’ 20-25 jaar later tijdens WO II best wel rond de 48 jaar kan zijn geweest. Maar De HFC’er van februari/maart 1956 werpt enig licht op de vraag: Nes is niet dezelfde is als Laurent, want Nes is “in de eerste helft maart 1956 te Den Haag” overleden. Ergo, wie is L.W.F. Kervel dan wel? Dat hij lid is van HFC blijkt zonneklaar uit de plaquette, hoewel hij noch in de boeken, noch in De HFC’ers wordt genoemd. Omdat L.W.F. 48 jaar oud is in 1945, moet hij toch minstens een generatiegenoot van de jongens E. en G. Kervel zijn geweest. Een broer of neef misschien?

De Oorlogsgravenstichting vult aan dat ook Laurent Kervel KNIL Landstorm Soldaat was.

 

Land, J. van der – Johannes, roepnaam Hans.

Vermelding op het KNVB monument: ja.

De site Voetbalmonument verschaft geen details. Wat ik heb gevonden is het volgende:

In De HFC’er van 12 oktober 1928 wordt op pagina 72 door het bestuur Johannes van der Land, wonende aan de Prins Mauritslaan 97 te Overveen (gem. Bloemendaal), als aspirant lid voorgesteld. Dit is uitzonderlijk, want normaal gesproken wordt een aspirant lid voorgesteld door twee (gewone) leden en niet door het bestuur. Geboortedatum ontbreekt, maar ik schat dat hij dan tegen de 10 jaar oud is.

Hans wordt successievelijk junior lid en werkend lid en belandt op de seniorenleeftijd in het Zevende en Zesde van HFC. Hij is daarnaast als cricketer ook lid van Rood en Wit. Na seizoen 1936/37 verdwijnt zijn naam uit De HFC’ers tot het blad van juli 1945 op pagina 3 een In Memoriam in een kadertje plaatst met de namen van een aantal oorlogsslachtoffers, onder wie H. (van Hans) van der Land, “oorlogsvlieger, neergeschoten boven Frankrijk”.

In De HFC’er van november 1954 wordt op pagina 13 nog een keer melding gemaakt van een aantal gevallen leden in de Tweede Wereldoorlog, onder wie Hans van der Land, maar dat is het dan, zij het dan dat latere jubileumboeken J. van der Land wel noemen als een van de oorlogsslachtoffers.

Uit de Oorlogsgravenstichting pik ik wat aanvullende informatie op. In de database komt twee keer de naam Van der Land voor, maar het meest waarschijnlijke is dat hij geboren wordt op 21 november 1915 in Amsterdam. Hij wordt oorlogsvlieger met de taak van waarnemen bij het squadron 320 en krijgt de rang van reserve tweede luitenant. Zijn vliegtuig verongelukt, dan wel wordt neergeschoten, boven de Franse stad Lisieux, ten zuiden van Le Havre, Haute Normandie, département 27 (Eure).

 

Lokman, P.H. – Piet Harmannus/(Hermannus), roepnaam Piet.

Vermelding op het KNVB monument: ja.

Piet Lokman wordt op 3 april 1927 geboren in Groningen. Zowel Harmannus (overlijdensakte) als Hermannus komt voor. De gedenksteen op de Algemene Begraafplaats Heemstede is duidelijk: Piet Harmannus.

Alle jongens en mannen in Nederland van 18 tot 40 jaar moeten zich tegen het einde van de oorlog melden voor de ‘Arbeitseinsatz’, waarna zij naar Duitse dwangarbeiderskampen worden gestuurd om daar voor de lokale industrie te gaan werken.

Het artikel ‘Een verdrietig verleden’ in het jaarmagazine De HFC’er van augustus 2015, pagina 23, schijft het volgende: “Wie zich niet vrijwillig aanmeldde dook onder en verschool zich op vlieringen, in kelders en onder de vloeren van hun huizen of vluchtte voor de razzia’s van de Duitsers. Zo probeerde HFC’er Piet Lokman, zeventien jaar oud, te ontsnappen door zijn huis uit te vluchten en met een gammel bootje bij de Roei- en Zeilvereniging het Spaarne over te steken naar de veiliger overkant van de polders van Schalkwijk. Hij zou daar nooit aankomen want midden op het water werd hij door een Duitse patrouille neergeschoten. Hij stierf enige uren later.”

Een van de meest berucht razzia’s is de zogeheten Sinterklaasrazzia op 6 december 1944. Gewaarschuwd door de eerdere razzia’s in Rotterdam en Den Haag proberen veel mannen in Haarlem en omgeving onder te duiken. Maar vanwege sinterklaasavond zijn toch velen van hen thuis. In de nacht van 5 op 6 december worden pamfletten met het bevel dat mannen tussen de 17 en 40 jaar zich moeten melden, in de brievenbussen gestopt. De stad wordt hermetisch voor de buitenwereld afgesloten en de Duitsers gaan systematisch te werk.

Het resultaat is dat ongeveer 1.300 mannen uit Kennemerland worden opgepakt en naar werkkampen vlak over de grens bij Emmerich worden getransporteerd. Zoals we hierboven kunnen lezen probeert Piet Lokman vergeefs per roeibootje te vluchten. Halverwege de overtocht wordt hij door een Duitse patrouille beschoten en raakt zwaar gewond.

In het boek De Sinterklaas Razzia van 1944 van Dick Verkijk worden op pagina 30 en 31 de laatste uren van Piet Lokman beschreven. Tijdens de razzia proberen veel jongmannen te vluchten of zich te verbergen, onder andere in de bollenvelden of in de bossen van Elswout. Ook over het Spaarne worden ontsnappingspogingen gedaan. Maar de Duitsers hebben een mitrailleur opgesteld op de hoek van de Tooropkade en de Jan Steenstraat/(Mauvestraat), die de weilanden aan de overkant van het Spaarne bestrijkt, want jongemannen trachten in overzetbootjes de Schalkwijkerweg aan de overkant te bereiken. De 17-jarige Piet Lokman doet op die 6e december 1944 ook een poging om op die manier de dans te ontspringen. Hij wordt echter beschoten en raakt zwaargewond aan zijn bil en linkerbeen. Hij overlijdt dezelfde dag nog aan bloedverlies.

Zijn moeder moet het doen met een rouwadvertentie op pagina 2 van de Haarlemsche Courant van 12 december 1944 waarin sprake is van een ‘noodlottig ongeval’.

HFC’s penningmeester Rud ‘Pa’ Jongeneel brengt haar op 8 december 1944 een condoleancebezoek en voorzitter Wim Heijbroek stuurt haar een brief van dezelfde datum. Hij beschrijft Piet als een bijzonder geliefde HFC’er die de naam van de club met ere droeg. Hij was “een van die knapen, waarop je vast kon rekenen.”

Piet wordt op maandag 11 december 1944 begraven. Hij zal nooit 18 jaar worden.

 

Parreeren, J.A. van – Johannes Atte. Roepnaam John.

Vermelding op het KNVB monument: ja.

Volgens de Oorlogsgravenstichting wordt John van Parreeren op 12 september 1910 in Amsterdam geboren.

John wordt in 1926 lid van HFC. Hij komt al gauw in het Vierde terecht, maar speelt vanaf 1928 tot 1935 hoofdzakelijk in het Tweede en Derde. Tussendoor komt hij als makkelijk scorende speler tot elf optredens in het Eerste.

In De HFC’er van oktober 1935 op pagina 126 vind ik in een verslag over de wedstrijd tussen de derde elftallen van VSV en HFC de volgende zinsnede: “….HFC kreeg een penalty. Wie moest hem nemen? John van Parreeren nam ze vorig jaar nog … maar die leerde nu de Balinezen penalty’s nemen, in Indië, de grote slokop…” Daaruit meen ik op te mogen maken dat hij intussen naar Nederlands-Indië – en meer specifiek Bali? – is vertrokken om al dan niet vrijwillig dienst te nemen in het KNIL als Mlt. Sgt. KNIL (Militair Sergeant KNIL).

Het enige dat we vervolgens weten is dat hij op 8 maart 1942 in Sukabumi (een stad in West Java) wordt gearresteerd en daarna als krijgsgevangene is vastgezet in Maoemere (Maumere) op het Indonesische eiland Flores in kamp Wulff, waar hij op 28 juli 1943 overlijdt.

 

Roos, F. – roepnaam Frits.

Vermelding op het KNVB monument: nee.

Zoals bij het artikel over Van Baasbank al is geschreven is Frits Roos een broer van Dein Roos, de echtgenote van Jaap (1908) en de moeder van Paul van Baasbank (circa 1943).

De Oorlogsgravenstichting biedt helaas geen uitkomst. De enige Roos die in de database voorkomt is Freddij Roos, geboren in Amsterdam op 15 mei 1919 en overleden op 11 juni 1943 in Sobibor.

Hoewel onze HFC’ers van 1919 tot en met 1945 en daarna nog bol staan van de naam Roos met allerlei andere voorletters, ontbreekt elk spoor van de Frits Roos die wij zoeken en die, volgens De HFC’er van oktober 1945 op pagina 4, als “lid van HFC tusschen 1920 en 1930 als vermist (is) opgegeven bij gevangenen-transport van Java naar Sumatra in 1942.”

Dat is alles. Spoorloos verdwenen. Bizar.

 

Sanders, J.L. – Johannes Lambertus, roepnaam Hans.

Vermelding op het KNVB monument: ja.

De Oorlogsgravenstichting heeft deze Sanders in de database. Hans wordt geboren op 26 april 1921 in Serang (Kota Serang), de hoofdstad van de provincie Banten op West Java.

Van pagina 38 van De HFC’er van januari 1934 begrijp ik dat Sanders in dat jaar al jeugdlid is van HFC, temeer daar hij al in een van de teams als keeper staat opgesteld. Blijkens pagina 65 van de uitgave van april 1937 worden de junioren B kampioen met Sanders als doelverdediger.

Pagina 166 van ons jubileumboek 1939 beschrijft het juniorenteam van 1938/1939 als “het sterkste A-team dat wij vermoedelijk ooit hadden.” Hans Sanders staat op doel, getuige ook de elftalfoto op pagina 164 waar hij op staat als keeper van het juniorenteam dat deelneemt aan het eerste toernooi De Acht op 10 april 1938. Teamgenoten zijn onder anderen Carel Flack en Bart Blankenaar.

Er volgt tot 1940 nog wat algemeen voetbal- én cricketnieuws. Want het mag geen verwondering wekken dat hij ook bij Rood en Wit zijn mannetje staat als… jawel, wicketkeeper. In seizoen 1936/1937 scoort hij 355 runs in 23 innings. Hij maakte 22 slachtoffers, waarvan 15 catches en 7 stumpings.

Dan is het over tot De HFC’er van juli 1945 op pagina 3 meldt dat Hans Sanders in een Duits concentratiekamp is overleden. Ons jubileumboek 1954 brengt op pagina 102 nauwelijks meer licht in de duisternis: Hans Sanders is kennelijk in de loop van 1944 door de Duitsers gearresteerd. Dan is de afloop vrijwel voorspelbaar.

Hij is technisch student als hij op 14 april 1944 in het Duitse concentratiekamp Bergen-Belsen overlijdt (bron Oorlogsgravenstichting).

Bergen-Belsen is een Duits krijgsgevangenen- en later ook een concentratiekamp ten noordoosten van Hannover. Daar vinden meer dan 70.000 mensen de dood, onder wie Anne Frank en haar zus Margot.

 

Seligsberger, E.S.-  Ernst Salomon (onder voorbehoud) – roepnaam onbekend.

Vermelding op het KNVB monument: nee.

Ook van Seligsberger heb ik zo goed als niets kunnen vinden. Zelfs geen roepnaam. Ook de Oorlogsgravenstichting kent hem niet.

De HFC’er van januari 1939 vermeldt o pagina 3 dat E. Seligsberger wordt voorgesteld door de heren mr. A.H. (Henk) van den Berg en W. (Wim Heybroek/Heijbroek), de latere secretaris respectievelijk voorzitter van het bestuur van HFC. Seligsberger woont dan aan de Merellaan 28 in Bentveld.

Blijkens pagina 82 van De HFC’er van juni 1939 wordt hij ten tweeden male ‘voorgehangen’. Het toenmalige HHR schrijft in Artikel 17 immers voor dat nieuwe leden een jaar nadat zij zijn aangenomen opnieuw ‘voorgehangen’ moeten worden. Artikelen 12 en 13 geven aan dat, indien niet door minimaal vijf leden stemming wordt aangevraagd, het kandidaat-lid geacht wordt als lid te zijn aangenomen.

Seligsberger gaat keepen in het Vijfde seniorenteam. In De HFC’er van april 1940 wordt zijn naam nog genoemd en dat is het laatste. Maar via Google en Oorlogsbronnen stuit ik op ene Ernst Salomon Seligsberger, geboren in Würzburg, (Duitsland).

Volgens het Voetbalmonument wordt Ernst Salomon geboren op 1 september 1919 in Würzburg, Duitsland. Hij gaat aldaar naar de ‘Oberrealschule’ en studeert vanaf 1935 verder in Neuchâtel in Zwitserland. In 1989 verhuist hij met zijn ouders mee naar Nederland. De reden daarvoor wordt niet genoemd, maar ik heb de volgende theorie.

Als Adolf Hitler aan de macht komt voelen de andersdenkenden en de Joden in Duitsland zich steeds meer door het opkomende Nazisme bedreigd. De eerste stroom vluchtelingen naar Nederland komt op gang. Het is de periode waarin onze overheid denkt aan een herhaling van de Eerste Wereldoorlog van 1914-1918 waarin Nederland neutraal – en dus veilig – blijft.

Ik lees ook dat de familie Seligsberger behoort tot de groep ‘Alte Lagerinsassen’: oude ingezetenen van het kamp Westerbork dat al in 1939 is gebouwd als centraal kamp voor de opvang van Joodse vluchtelingen. Zij wanen zich aanvankelijk veilig – Nederland zal immers neutraal blijven – maar dat blijkt een dramatische misvatting te zijn. In 1940 overrompelt Duitsland ons land.

Intussen heeft Ernst Salomon zich al als fysiotherapeut (heilgymnastiek en massage) in Utrecht gevestigd.

Op 1 juli 1942 nemen de Duitsers Kamp Westerbork over, waarna de voorbereidingen voor het transport van Joden naar de vernietigingskampen in gang worden gezet. Ernst Salomon zit in het eerste transport naar Auschwitz. De groep van honderd ‘Alte Lagerinsassen’ wordt als eerste geselecteerd en op 15 juli 1942 vertrekt de trein naar Auschwitz, waar Ernst Salomon op 30 september 1942 wordt vergast. Hij is dan 23 jaar oud.

Op de Petrarcalaan 77 in Utrecht is een struikelsteen (Stolperstein) te zijner nagedachtenis geplaatst.

Nu is de vraag: is deze Ernst Salomon Seligsberger de man die wij zoeken? Als je in Westerbork terechtkomt en je daarna in Utrecht gaat vestigen, dan is een lidmaatschap van een voetbalclub in Haarlem niet erg logisch. Anderzijds zullen er niet gauw twee Seligsbergers van ongeveer dezelfde leeftijd met dezelfde initialen en dus zeer waarschijnlijk dezelfde voornamen in Nederland gewoond hebben en in die eerste oorlogsjaren op transport naar Auschwitz gezet zijn.

 

Smit, D.J.S. – Daniël Johan Smit, roepnaam Daan.

Vermelding op het KNVB monument: ja.

Daan Smit wordt op 14 november 1909 geboren in Haarlem. In september 1926 wordt hij voorgesteld als lid en in november 1926 als werkend lid aangenomen (De HFC’ers van september pagina 1 en november 1926 pagina 1). Hij woont dan in de Tetterodestraat 132 in Haarlem. Op pagina 15 van De HFC’er van december 1928 wordt duidelijk dat achter D.J. Smit de voornaam Daan schuilt.

Daan is lid van het verzet (bron Oorlogsgravenstichting) en op 1 september 1941 wordt hij gearresteerd in Amsterdam en vervolgens in het Oranjehotel in Scheveningen gevangen gezet. De site van het Voetbalmonument vermeldt dat hij op 11 mei 1942 is omgekomen in concentratiekamp Sachsenhausen.

Of hij rond 1939 in Almelo woont komt mij vreemd voor omdat hij dan nog volop in het Tweede van HFC voetbalt.

Daan staat verder nog op pagina 34 van De HFC’er van februari/maart 1928. Daar komt hij, samen met onder anderen Wim Denijs, voor op de elftalfoto van het Vijfde en even verderop ook nog in het daarop volgende artikel.

In de verschillende verslagen wordt geregeld de naam Smit met allerlei initialen vermeld, maar een zoektocht specifiek naar Daan Smit, langs al die andere Smitten, levert gelukkig wel zijn sportieve loopbaan bij HFC op. Hij voetbalt actief tot en met het seizoen 1940/1941. In de seizoenen 1930/1931 en 1931/1932 speelt hij een dertigtal wedstrijden in het Eerste. In de jaren daarna komt hij hoofzakelijk uit voor het Tweede, waarvan hij in 1938/1939 captain is en onder anderen Bob Twiss en Piet Ligtenstein als teamgenoten heeft. In De HFC’er van april 1937 staat op pagina 63 een elftalfoto, waarop Daan Smit redelijk goed te herkennen is.

In De HFC’er van april 1941 is op pagina 37 nog sprake van ene Smit in het Eerste. Omdat er in die periode geen andere Smit voetbalt van dit niveau neem ik aan dat het hier Daan Smit betreft. Maar dit, wellicht eenmalige, optreden is niet opgenomen in de lijst op de pagina’s 188 en 189 van ons jubileumboek van 1954.

Hoe het zij, er wordt daarna praktisch niet meer gevoetbald en het uitwisselen van informatie in die oorlogsjaren is, zo niet onmogelijk, dan wel uiterst moeilijk. We zullen het moeten doen met het bericht op pagina 3 van De HFC’er van juli 1945: verzetsheld Daan is door een vuurpeloton doodgeschoten. Dat moet dan op 11 mei 1942 zijn geweest in Sachsenhausen.

 

Twiss, R.F. – Robert Francis, roepnaam Bob (Bobbie, Bobby).

Vermelding op het KNVB monument: ja.

Bob Twiss wordt ‘adspirant-lid’ in september 1928. Vanwege zijn ‘glunderende kop’ en zijn positieve instelling wordt hij in zijn jonge jaren liefkozend Bobbie of Bobby genoemd. Zijn vaste reactie op een nederlaag of pechgeval is ‘never mind’, waarna hij onverstoorbaar overgaat tot de orde van de dag.

Als junior komt hij in het hoogste team terecht en wordt aanvoerder. Hij is een makkelijk scorende middenvelder, waardoor hij vervroegd overgeplaatst wordt naar het derde seniorenteam. Hij debuteert eind seizoen 1931/1932 in het Eerste. Vanaf dat moment wordt hij geregeld uit het Tweede opgetrommeld voor het Eerste waar hij uiteindelijk 46 keer voor uitkomt. Daar heeft hij in de periode 1931/1932 tot en met 1938/1939 wel acht jaar voor nodig.

De HFC’er van oktober 1939 pagina 112 laat weten dat hij ‘woensdag jongstleden’ (vermoedelijk eind oktober 1939) met het MS Indrapoera vertrokken is naar Noord-Oost Indië (Indonesië). In het In Memoriam in De HFC’er van oktober 1945 wordt Bob Twiss beschreven als een ‘jolig type’ en als ‘een robuuste knaap met een behoorlijk voetbaltalent’. Hij werkt in dienst van de Shell en wordt door dit bedrijf uitgezonden naar ‘de Oost’.

Bob wordt geboren op 30 juni 1913 in Pekalongan (Midden Java). Hij heeft dus kennelijk al Indonesische roots. Uit overige informatie blijkt dat hij op 26 maart 1942 is gearresteerd en gevangengezet in Lawesigalagala, 22 kilometer van Kutacane in de provincie Atjeh, in het noordoosten van het eiland Sumatra. Hij zou een Japanse ‘krijgsgevangene’ zijn, wat volgens mij duidt op een militaire en geen civiele aanleiding voor zijn arrestatie.

Het laatste bericht is dat hij op 23 maart 1944 is omgekomen in Tha Makhan/Tamarkan (Thailand). De HFC’er van januari 1946 wijdt op pagina 3 nog een artikel aan Bob Twiss. Hij zou in ‘Fransch Indo-China‘ overleden zijn aan een longontsteking. Frans Indo-China bestaat dan uit het huidige Laos, Cambodja en Vietnam en is in de Tweede Wereldoorlog tijdelijk door Japan veroverd

Via de Oorlogsgravenstichting kom ik op Tamarkan, als plaats van overlijden. Tamarkan is een Japans krijgsgevangenenkamp, oorspronkelijk bedoeld voor de constructie van een brug over de rivier Khwae Yai of Mae Kong River, dat later als inspiratiebron dient voor de geromantiseerde, maar wel op de werkelijkheid gebaseerd film The Bridge on the River Kwai.

Bob Twiss heeft dus net als Guus Daniëls aan de Birma-spoorweg gewerkt en heeft dat met de dood moeten bekopen.

“De speelse vrrrrr…ouwen-liefhebber” Bob Twiss is 30 jaar als hij voor altijd zwijgt.

 

Weyden/Weijden, W. van der – Willem, roepnaam Willem.

Vermelding op het KNVB monument: nee.

W. van der Weyden wordt blijkens pagina 65 van De HFC’er van september 1928 in die maand werkend lid van HFC, wat doet vermoeden dat hij de leeftijd der junioren dan al gepasseerd is. Hij woont in de 2e Hasselaerstraat 8 in Haarlem. Hij debuteert in het Zevende en maakt in die wedstrijd tegen De Kennemers alle vijf doelpunten. De jaren daarna speelt hij hoofdzakelijk verder op dat niveau.

In de rubriek ‘Van alles wat’ in De HFC’er van juni 1939 schrijft HFC’er Cor Kroese vanuit Menado op pagina 88: “Op een morgen gaan we naar de boot die juist binnen was gekomen en daar zie ik plotseling een bekend gezicht op de brug. Het bleek 4e stuurman Willem van der Weyden te zijn. Reeds kalende. Zijn enthousiasme voor H.F.C. is nog onverflauwd.”

Manado, in de koloniale tijd Menado genoemd, is de hoofdstad van de provincie Noord-Celebes (Sulawesi Utara) op het eiland Celebes (thans Sulawesi). Het is een handelsstad waar koffie, hout en specerijen worden verhandeld.

In De HFC’er van december 1940 is op pagina 12 nog even sprake van herinneringen aan ene ‘Jumbo’ van der Weyden. Dat zou zijn bijnaam geweest kunnen zijn. Verdere informatie ontbreekt. Het kan zijn dat Willem van der Weyden het slachtoffer is geworden van een vijandelijke Japanse actie op zee, of dat hij een zeemansgraf heeft gekregen.

Maar de spelling van de naam Weyden met een i-grec (ypsilon) zet ons op het verkeerde spoor. De Oorlogsgravenstichting brengt hem tot leven met Weijden met een lang ij. Willem van der Weijden is geboren op 17 mei 1912 in Den Haag. Hij gaat varen bij de Koninklijke Marine (reserve) en haalt de rang van luitenant ter zee der derde klasse. Op 7 maart 1942 wordt zijn schip Poelau Bras met circa 240 tot 300 opvarenden door Japanse bommenwerpers in de Indische Oceaan tot zinken gebracht.

De Poelau Bras is een Nederlands vrachtschip dat tevens als passagiersschip dient, doch later wordt omgebouwd tot een bewapend troepentransportschip. Van de circa 240 tot 300 opvarenden slagen er 116 in om in reddingssloepen uiteindelijk de vaste wal te bereiken. Willem is daar niet bij. Eenmaal aan land worden zij allemaal, onder wie vrouwen en kinderen, door de Jappen gevangen genomen en in kampen ondergebracht. Daar overlijden alsnog velen van hen.